Steun ons en help Nederland vooruit

zondag 17 november 2019

Een schone kijk op afval

Naar aanleiding van de commissiebespreking van de keuzenotitie gemeentelijk afvalplan, door commissielid Christian Iles:

Op 12 november nam ik plaats in een commissievergadering waarin het GGP (het Gemeentelijk Grondstoffenplan) werd behandeld. Dit plan was een grote visie over hoe wij met afval om zullen gaan in de stad, welke ontwikkelingen we willen faciliteren en wat voor beleid we willen met organisaties zoals de HVC. In dit plan kwamen meerdere scenario’s naar voren die het College van B&W kon overwegen, en alle fracties moesten hierover hun zienswijzen geven.

Alle scenario’s gingen uit van bronscheiding; het idee dat er bij de bron, dus de burgers, het afval gescheiden moest worden. Een belangrijke afwezige in dit plan was een scenario van nascheiding, het idee dat er aan het einde van de afvalketen (dus bij de afvalverwerkers) het afval pas gescheiden moest worden. Het leidde tot een interessant gesprek n.a.v. dhr. van Marle (D66) die begon over nascheiding, met mw. Stemmler (SP) en mw. Compaan (CU-SGP) die volgden.

Mw. Stemmler vroeg zich af waarom überhaupt nascheiding niet in dit plan was opgenomen, en uitte haar steun voor een onderzoek over deze aanpak. Mw. Compaan liet blijken voorstander te zijn voor bronscheiding, vanwege het beter kunnen recyclen van ‘giftig afval’(KCA) dat bij de bron gescheiden is zoals gekleurde textiel, maar wou een betere onderbouwing van het college in cijfers en grafieken over waarom bronscheiding beter is. Het College had vervolgens de SP en D66 fractie uitgenodigd om hun op te dragen om nascheiding in een later stadium te onderzoeken, en lieten blijken open te staan voor deze aanpak. Dit gesprek maakte mij persoonlijk erg optimistisch, en gaf mij een aanleiding mijn standpunten over het afvalbeleid verder uit te breiden.

Het probleem die het College met meerdere fracties (waaronder D66) onderschrijft is dat Enkhuizen diverse gebieden kent als het aankomt op afval. Buiten de vest kennen meerdere containers om afval te scheiden, terwijl binnen de vest er ook ondergrondse afvalopslagplaatsen zijn. Daarbij verschillen de toegankelijkheid en infrastructurele mogelijkheden ook enorm van elkaar. Ruimte is in de binnenstad zeer beperkt door o.a. kleine straten of monumentale bouw, daarbij zijn de meeste oudere straten relatief auto-onvriendelijk vergeleken met bijvoorbeeld de Seyndersloot of Reigerweg. Hoe zou dit dan moeten met afvalvrachtwagens? Daarbij kennen verschillende plekken al hoogbouw, of juist gedesigneerde afvalophaal plekken.

Deze opsomming is bedoeld om te laten zien dat de straten en woningen van Enkhuizen, en daarmee de manier waarop afval stroomt, erg verschillen.

Daarbij gaf mw. Compaan in de commissie ook terecht aan dat sommige tuinen erg klein zijn, waardoor de drie containers enorme ruimte innemen voor deze mensen. Persoonlijk ken ik ook een aantal anekdotes waarin men van één soort afval veel heeft, en van de ander juist weinig, waardoor die met andere buren elkaars containers benutten. De ‘bronnen’ van afval zijn divers, waardoor er verschillende obstakels en voordelen zijn per bron.

BRONSCHEIDING VS. NASCHEIDING

De bron- of nascheiding discussie is complex omdat er geen duidelijke keuze te maken valt. Een reden hiervoor is troebel onderzoek: veel voor- en nadelen waar onderzoeken zich op baseren zijn abstract, of zijn vaak erg uniek tot de gemeente of gemeenschap zelf. De Rijksoverheid stelt als één van de grootste voordelen van bronscheiding dat het ‘bewustzijn’ onder burgers vergroot, maar kan niet een verschil aantonen in bewustzijn tussen mensen uit bron- of mensen uit nascheidende gemeenten. En tevens bestaat er ook geen duidelijk verband tussen bewust van iets zijn, en ernaar handelen. Dus in hoeverre moeten wij als Gemeente op deze voordelen rekenen? Niet alleen de Rijksoverheid heeft geen concrete data die duidelijke voor- of nadelen weergeven, ook gemeente-gerichte onderzoeken gedaan door particulieren krijgen geen duidelijk antwoord:

Het bedrijf Stantec bijvoorbeeld had op 28 november 2018 een ‘quickscan’ gedaan voor de Gemeente Wassenaar over de voor- en nadelen van bron- en nascheiding, om zo te verkennen welke stappen er genomen kunnen worden om hun doelstellingen te behalen. Dit onderzoek gebruikte ook data van andere afvalverwerkers zoals de AEB (Amsterdam), AVR (Rotterdam) of het bekende OMRIN (Heerenveen), die ieder nascheiding gebruikten i.p.v. bronscheiding zoals in Wassenaar. Als er gekeken werd naar de hoeveelheid restafval dat gereduceerd werd d.m.v. recycling kan uit een ton, varieerde de cijfers enorm tussen AEB (270 kg per ton), AVR (116 kg) en OMRIN (180 kg). Dit zie je ook in andere categorieën uit de tabel:

De reden hiervoor, verondersteld het onderzoek, is omdat ‘-het rendement van deze installaties vooral afhangt van de stromen waarop de installatie zich richt’. Het hangt dus simpelweg af van de afvalverwerker, wat geen stabiel gegeven is voor de vraag of bron- of nascheiding beter is. In het geval van IPR-NORMAG’s onderzoek op 25 juni 2018 over bron- en nascheiding voor de Gemeente Enschede, had hun afvalverwerker TWENCE überhaupt geen capaciteit om na te scheiden, waardoor ze genoodzaakt zouden zijn om restafvalstromen uit te ruilen met andere afvalverwerkers. Dit soort details veranderen de mogelijkheden, obstakels en afwegingen enorm: terwijl ze vrijwel in ieder onderzoek dat ik gelezen heb terug te vinden zijn. Het is daarom kwalijk dat er in Enkhuizen (nog) geen onderzoek is gedaan naar nascheiding, omdat wij het van andere onderzoeken niet kunnen hebben. Zelfs een hypermoderne afval-pilot van de Gemeente Leiderdorp stelt in haar eigen memo naar de gemeenteraad (Z/18/062414/119463) dat:”een objectieve recente rapportage met harde cijfers over kosten en milieurendement van nascheiding ontbreekt”.

Tot zover bekend is er wel één onderzoek dat overkoepelend bron- en nascheiding onderzocht. Het “Evaluatie-onderzoek bron- en nascheiding kunststof verpakkingsafval” door KplusV in opdracht van NedVang en de VNG. Belangrijk is wel om te weten dat dit onderzoek uit 2011 is, en dat vrijwel ieder onderzoek van een Gemeente onderschrijft dat de ontwikkelingen razendsnel gaan.

Voordat ik daar verder op in ga, kom ik even terug op mw. Compaan’s argument waarmee ze haar keuze voor bronscheiding onderbouwd. Ze stelt, terecht, dat als bijvoorbeeld glas, textiel (of ander KCA afval) met het afval uit de grijze kliko meegaat, veel van dat afval niet langer (goed) gerecycled kan worden. Dat ze daarom in eerste instantie voor bronscheiding pleit is vanuit die optiek logisch.

Alleen ondermijnt het KplusV rapport deze redenatie op twee vlakken. Ten eerste stelt het rapport dat er niet veel databronnen zijn over nascheiding, waardoor een onderbouwde vergelijking in dit rapport, net zoals in het Stantec of IPR-NOMAG onderzoek, tot een zeer beperkte mate mogelijk is. Ten tweede bevestigt het rapport dat OMRIN op pg. 71 hetzelfde presteert met nascheiding als andere installaties met bronscheiding, ik citeer: Het (genormaliseerde) hergebruikpercentage van bronscheiding ligt 10% hoger dan het gemiddelde hergebruikpercentage bij nascheiding (76% tegenover 66%). Het hergebruik-percentage van het Omrin-materiaal ligt op vergelijkbaar niveau (76% respectievelijk 78%) als bij bronscheiding, het hergebruikpercentage van het Attero-materiaal ligt circa 25% lager. De specifieke samenstelling van het Attero-materiaal speelt hierbij een rol.” (Attero is een andere afvalverwerker).

Ondertussen kunnen we veilig veronderstellen dat in de discussie van bron- of nascheiding we a). te weinig data hebben om één van de twee als beter alternatief te kronen en b). dat er technieken bestaan, zoals we zien bij Omrin, die bronscheiding vrijwel gelijkstelt met nascheiding. Daarom zijn de argumenten van bijvoorbeeld mw. Compaan tevergeefs: omdat het niet actueel is met de huidige bestaande techniek, en de voorafgaande data niet compleet is. De impact op het milieu is, in het geval van Omrin tenminste, gelijk.

Ik vind dat we daarom de discussie elders moeten plaatsen. Namelijk, wat betekend bron- of nascheiding voor de burger, en waar gaat onze voorkeur naar uit? In principe hanteer ik altijd het uitgangspunt dat wij moeten vertrouwen op de eigen kracht van de mens, dus eigenlijk, bronscheiding. Maar bronscheiding vermoeilijkt het ophalen van ons afval aanzienlijk, omdat Enkhuizen verschillende inrichtingen heeft qua straten en wegen. Deze vermoeilijken van dit proces vertaalt zich al snel naar hogere kosten, en zoals we weten zijn we berucht duur. Daarbij maakt bronscheiding ons ook afhankelijk van de handelingsbereidheid van burgers om op een attente, bijna perfecte wijze afval te scheiden zodat wij veel zouden kunnen recyclen. Deze verwachting is niet reëel, en is in combinatie met hogere kosten niet wenselijk om afhankelijk van te zijn. D.m.v. nascheiding kan HVC één manier van ophalen toepassen waardoor de lasten omlaaggaan. Daarbij hoeft de burger met kleine tuin niet langer te kampen met ruimte problematiek, of zoals in mijn wijk, met onderlinge samenwerkingsverbanden om elkaar te helpen met volle prullenbakken. Dit is in mijn ogen, een heldere kijk op afvalbeleid in een relatief troebele discussie.

Als het College van B&W net zoals het KplusV-, IPR-NOMAG en Stantec onderzoek ondervindt dat nascheiding met de juiste toepassing even wenselijk is voor het milieu als bronscheiding, dan hoop ik collega’s Compaan en Stemmler aan mijn zijde te vinden bij het pleiten voor nascheiding.